Aurora astrilde

Pytilia Phoenicoptera.p

Lengte 11 cm tot 13 cm.

De aurora-astrilde is de minst kleurrijke onder de Pytilia soorten. De hoofdkleur van de bovendelen van het mannetje zijn asgrijs. De lichtgrijze kop heeft donkergrijze strepen. Iedere veer op de kop en in de nek is zacht donkergrijs afgezoomd. Zowel de keel als de borst zijn grijs. De pluimen van de romp zijn karmozijnrood afgezoomd. De onderzijde is asgrijs met een wit en bleekbruine golftekening. De vleugels zijn karmozijnrood. De staartveren zijn zwart en de middelste staartpennen zijn karmijnrood. De onderzijde van de staart is grijs. De staart meet bij het mannetje 35 tot 38 mm en bij het vrouwtje 31 tot 35 mm. De snavel is grijszwart en meet 10 tot 11 mm. De ogen zijn roodbruin. De poten zijn licht roodbruin. De bovendelen van het vrouwtje zijn meer bruin dan grijs en de vleugels zijn karmozijnrood afgezoomd. Van onderen is de grondkleur zeemkleurig en de witte en bruine bestreping gaat van aan de keel tot aan de onderste staartveren. De jongen lijken op het vrouwtje.

Komt voor in West tot bijna Oost-Afrika, van Senegal tot Ethiopië.

De aurora astrilde is een bosvogel, doch niet schuw van aard. Hij komt ook de gecultiveerde en bewoonde gebieden opzoeken. Zo komt hij veel voor in de nabijheid van woningen, in parken en op bebouwde akkers. We treffen hem ook aan op de open plaatsen langs of in het bos, waar hij zich ophoudt in het struikgewas en het hoge gras. Ze leven meestal paarsgewijs of in kleine groepjes, meestal in gezelschap van andere prachtvinkensoorten. Ze houden zich veelal in de bomen op, zelden op de grond.

 

In hun thuisland wordt er gewoonlijk genesteld tussen eind oktober en begin maart. Het nest kan allerlei vormen hebben doch meestal is het een kogelvormig bouwsel met een zijdelingse sluipingang. Ze nestelen gewoonlijk in het dichte lover van de bomen. De nesten liggen slechts enkele meters boven de grond, tussen één meter en anderhalve meter. Het is vervaardigd van grashalmen, waarvan dikwijls de zaden nog niet verwijderd werden en diverse plantenvezels. Van binnen is het bekleed met plantenpluis en veertjes, soms ook met dierenhaar.

 

Een normaal legsel bestaat uit 4 tot 6 licht glanzende eieren die 15 tot 16,5 mm bij 12 tot 13 mm meten. Ze worden door de beide oudervogels gedurende 12 tot 14 dagen bebroed. De jongen worden door de beide oudervogels op het nest gevoed; de eerste dagen voeren ze uitsluitend insecten en later worden er ook voorgeweekte zaden verstrekt. Na ongeveer 16 tot 18 dagen verlaten de jongen het nest en worden dan nog ongeveer een tiental dagen gevoerd alvorens ze volledig zelfstandig zijn. Alleen om voedsel te zoeken verlaten ze het dichte struikgewas en gaan op zoek naar diverse gras- en onkruidzaden die op de bodem bijeen gezocht worden, maar ook zachte bladpunten worden genuttigd. Tijdens de broedperiode worden vooral insecten, met een voorkeur voor termieten, gevoerd.

 

De zang bestaat uit kleine fluittonen die meestal dansend worden voorgedragen. Het is een zacht, aangenaam geluid om te aanhoren.

De aurora astrilde is van alle Pytilia-soorten de meest ingevoerde soort en ze zijn in aankoop niet duur. Het is aan te raden de vogels bij een goede dierenspeciaalzaak of een ervaren kweker te kopen. Wanneer je de vogel van je keuze eerst enige tijd gadeslaat, kun je al gauw zien of de vogel levendig genoeg is en niet als een ronde bol op de zitstok zit. Een gezonde vogel zit mooi strak in de veren en heeft heldere oogjes. De ontlasting heeft mooie wittepuntjes,wat inhoudt dat de darmflora in orde is. Let er ook op dat de vogel alle tenen heeft. Dit is van belang omdat de vogel dan goed op zijn stok kan zitten.

 

Bij de aanschaf moet je de vogel even op de rug in de hand houden en tegen het verenpak, aan de onderkant, inblazen. Hierdoor kun je zien welke kleur de vogel aan de onderkant heeft. Een goed gezonde vogel heeft de kleur van een mensenhand. Tevens kunnen we ook controleren of de vogel goed gevoed is. Wanneer de kam op het borstbeen scherp naar voren steekt, is de vogel sterk vermagerd en is de koop beslist af te raden. Verder moet de bevedering rond de aars juist hetzelfde zijn als het overige verenkleed; dit wil zeggen schoon, droog en donsachtig. Is dit niet het geval en heeft het een blauwachtige kleur, koop de vogel dan niet, want dan heeft hij last van darmstoornissen. Ook moet je er op letten dat ze strakke pootjes hebben zonder aanslag en/of korsten, want dan betreft het meestal een oude vogel. Een goede, gezonde vogel moet dus mooi en strak in de veren zitten, moet heldere ogen, een goede ontlasting, een mooie onderbuik hebben en moet in zijn kooi springen, vliegen en huppen.

 

Pas ingevoerde vogels dienen met zorg geacclimatiseerd te worden. We plaatsen de pas verworven vogels in quarantaine gedurende ongeveer vier weken. Tijdens deze periode moeten ze over een veelzijdig voedselaanbod kunnen beschikken met vooral veel insecten of een directe vervanging ervan. De eerste weken moet er ongeveer 16 uur per dag licht zijn. Ook moet er gedurende die periode gekuurd worden met antibioticum. Na deze kuur moet er een multi vitamine preparaat toegediend worden. Het zijn gemakkelijk te houden vogels die men gerust met andere prachtvinken kan samenhouden, doch nooit met soortgenoten. Gedurende de zomermaanden kunnen ze in een buitenvolière ondergebracht worden, doch gedurende de herfst- en wintermaanden dient het aanbeveling ze in een matig verwarmd vertrek binnenshuis te houden, daar ze zeer moeilijk tegen de koude en te grote temperatuursverschillen kunnen. In principe zijn de minimale eisen waaraan de huisvesting moet voldoen, voor volière- en kooivogels gelijk; namelijk frisse lucht, voldoende ruimte, geen tocht, schone en droge kooi, veel licht en geen directe zonbestraling. De voeding moet zo verscheiden mogelijk zijn en moet bestaan uit de in de handel verkrijgbare exotenmengeling, aangevuld met diverse gierstsoorten (zilver, Senegal en plata gierst), kleine parkietenmengeling, onkruidzaden en vooral trosgierst. Als levend voer geeft men mieren eitjes en kleine meelwormen. Daarnaast moet er ook steeds eivoer tot hun beschikking staan. In het begin zullen ze hier weinig van eten, doch eens de smaak te pakken, wordt het goed opgenomen. Men kan hen dat aanleren door op hun lievelingszaad een beetje eivoer uit te strooien. Dit is zeker reeds een pluspunt moesten er jongen zijn.

 

Als groenvoer geven we hen vogelmuur, sla of andijvie, witlof, paardebloem, herderstasje en weegbree. Ook fruit lusten ze graag. Regelmatig een multivitaminepreparaat in het water toedienen schaadt niet. Zorg er voor dat er steeds kalksteen, vogelgrit, houtskool, sepia en geplette eierschalen tot hun beschikking staat, omdat de vrouwtjes, zoals bij de meeste Afrikaantje es, gemakkelijk aan legnood lijden. De beste kweekresultaten worden bekomen in een goed beplante volière, waarin op diverse hoogten verschillende nestgelegenheden, zoals parkietenblokken, halfopen- en gesloten nestkastjes, rieten korfjes, kanariekorfjes en samengebonden brembussels worden aangebracht.

 

Het is aan te raden meerdere vogels samen te plaatsen. Bij het houden in groep kunnen de partners mekaar zelf uitkiezen, hetgeen zeker de kweek ten goede zal komen. De alzo gevormde koppels blijven meestal het ganse leven samen. Indien een koppeltje broedneigingen vertoont zal men het mekaar voeren kunnen waarnemen. Het baltsgedrag is een mooi schouwspel. Het mannetje huppelt rond het vrouwtje en beweegt ondertussen de staart heen en weer. Hij maakt diepe buigingen voor het vrouwtje en toont hiermee zijn bereidheid tot paren. Het vrouwtje reageert hierop door zich op een tak neer te buigen en doffe toontjes te slaken die voor het mannetje goed hoorbaar zijn. Aansluitend hierop komt het dan tot een paring.

 

Als nestmateriaal verstrekt men grasstengels, kokosvezels, hooi, stro, mos, worteltjes, sisal, sharpie, veertjes en die renhaar. Het mannetje kiest de nestplaats, doch het vrouwtje moet hiervoor haar goedkeuring geven. Eens ze een geschikte nestplaats gevonden hebben, begint het mannetje met het aanbrengen van de materialen die door het vrouwtje verwerkt worden. Er wordt meestal een vrijstaand nest met zijdelingse sluipingang in de beplanting gebouwd, maar ook halfopen nestkastjes en zelfs kanariekorfjes worden gebruikt. Het binnennest wordt met zachte materialen, o.a. veertjes en sharpie bekleed. De nestbouw neemt drie tot vijf dagen in beslag.

 De 4 tot 6 eitjes zijn tamelijk rond van vorm en worden door de beide oudervogels afwisselend bebroed. Het nest wordt tijdens de broedtijd fel verdedigt tegen indringers. Dus zorg voor voldoende rust in en om de volière om het broedsel niet te verstoren. Bij gevaar of storing drukken ze zich, zoals de vuurvink, met opgeheven staart tegen de bodem. De broedduur bedraagt 12 tot 14 dagen. Nestcontroles dient men tot een minimum te beperken en oefent men bij voorkeur uit als de oudervogels uit eigen beweging het nest verlaten hebben. Sommige koppeltjes blijken hiervoor geen bezwaren te maken en dient men van het nest te verjagen.

 De jongen worden naakt geboren en hebben een donkere, bijna zwarte huidskleur. Beide oudervogels voeren de jongen op het nest met in hun krop voorgeweekt voedsel. Het opfokvoer bestaat uit de hiervoor vernoemde zaadmengeling met daarbij gekiemde en voorgeweekte zaden, halfrijpe grasen onkruidzaden, en het aanbod van het dierlijk voedsel dient verhoogd te worden en/of eventueel aangevuld met pinky's, enchytreeën, bladluizen, buffalo wormen en allerlei weideplankton. De jongen worden de eerste week door een van de oudervogels warm gehouden. Daarna voeren de beide oudervogels waardoor de kans bestaat dat de jongen zullen afsterven door onderkoeling. Zorg er dus voor dat vanaf dan in het kweekvertrek een constante temperatuur heerst van om en bij de 25° Celsius.

Het ringen kan gebeuren vanaf de zevende dag. Haal de jongen voorzichtig uit het nest, zonder hieraan grote schade aan te richten en dit als beide oudervogels uit eigen beweging het nest verlaten hebben. Het ringen kan best 's avonds gebeuren daar de oudervogels dan minder actief zijn, wat betreft het zuiver houden van het nest en de kans op uitwerpen van de jongen geminimaliseerd wordt. Men kan de ringen ook afkleven met vleeskleurig pleisterverband.

Na ongeveer drie weken verlaten de jongen het nest en worden nog een veertiental dagen door de ouders gevoerd. Ze zijn bij het uitvliegen reeds goed bevederd. Het jeugdkleed is blauwgrijs en de onderzijde is zacht gegolfd. De jeugdrui treedt na acht weken in en na ongeveer drie maanden bezitten ze het adulte verenkleed. Eens de jongen volledig zelfstandig zijn, dient men ze van de oudervogels te verwijderen, daar de vadervogel vrij agressief kan zijn en de jongen gaat najagen. Het komt dikwijls voor dat de jongen, zonder een begrijpelijke reden, uit het nest worden geworpen. Het is daarom dat vele vogelliefhebbers het uitbroeden van de eieren en het grootbrengen van de jongen overlaten aan de zorgen van Japanse meeuwtjes, die zeer goede pleegouders blijken te zijn. Zorg er ook voor dat er steeds badwater voorhanden is. Het water dat gebruikt wordt moet steeds zuiver zijn en dient dagelijks enkele malen ververst te worden, daar de vogeltjes, voor het baden, steeds enkele slokjes hiervan drinken.

De aurora astrilde is een graag geziene vogel op de T.T. Er zijn ook reeds mooie kruisingen met soortgenoten en andere prachtvinkensoorten in gevangenschap bekomen. Sommige kruisingen met soortgenoten blijken vruchtbaar te zijn, o.a. de Wiener- en de streepjes astrild.


Geraadpleegde literatuur:  Tropische vogels houden